HET HOOFD DAT FLUISTERT - HORRORVERHAAL IN HET NEDERLANDS - BREDEVOORT VAN DEN BERG
In Nieuw-Guinea hangt een mandje aan een paal. Het heeft de roestbruine tint van oud bloed en herbergt een menselijk hoofd. De ogen ervan zijn helder en onnatuurlijk wakker. Ze gaan open zodra jij er voorbij loopt. Eerst het linkeroog, met een droog, krakend geluid. Dan volgt het rechteroog.
Hayes heeft niets meer te verliezen. Juist dat besef drijft hem steeds dieper het ondoordringbare woud in. Hier huizen geheimen die het daglicht niet verdragen, donkerder dan de diepste schaduw. De bodem onder zijn voeten voelt vreemd, het is geen gewone aarde meer, maar een mengsel van as, splinters menselijk bot en een aanwezigheid die al eeuwenlang geduldig wacht.
Achter de boomstammen zijn er vage gezichten. Een groen licht gloeit vanuit de grotten als een roep naar een lang vervlogen verleden, naar een tijd die beter vergeten had kunnen blijven.
Dit verhaal is een meedogenloze pelgrimstocht door een bloedoerwoud dat zich voedt met angst. Het is de rivier die zich als een slang door het landschap wringt, de eeuwenoude bomen waarvan de wortels verstrengeld zijn met het kwaad, en ongrijpbare, groene schijnsel dat uit de grot lekt. Het is de open plek in het struikgewas waar het gras platgetrapt is door voeten die niet meer tot de wereld der levenden behoren. Het zijn de eindeloze rijen palen, de eindeloze rijen mandjes, en de eindeloze rijen tanden die te wit en te scherp zijn om menselijk te kunnen zijn.
Elke afzonderlijke bladzijde is een spookverschijning die je koud van ontzetting achterlaat. Aan deze nachtmerrie valt niet te ontkomen. Het pad dat je hierheen leidde, lost op in het niets achter je rug. De lucht boven het oerwoud slaat dicht en kleurt loodgrijs. Het gefluister zwelt aan tot een oorverdovende kakofonie en klinkt nu als de verstikte kreten van talloze verdronken zielen. Dit is een literaire gruwelroman, een beklemmende psychologische thriller en een bovennatuurlijke koortsdroom die onverbiddelijk onder je huid kruipt. Het is een nieuwe stijl van Nederlandstalige literaire fictie en een leeservaring voor de fijnproever die houdt van hoogstaande spanning en existentiële horror.
"Het hoofd in het mandje deed zijn ogen open toen Hayes voorbijliep. Niet allebei tegelijk. Eerst de linkerkant, het ooglid dat met een droog gekraak omhoog ging, daarna de rechterkant, langzamer, alsof het oog zich eerst moest herinneren hoe het moest kijken naar een wereld die het al duizend jaar niet had gezien.
Hayes bleef stilstaan. Zijn hand vond zijn klamme geweer.
Het mandje hing aan een paal die schuin in de grond stak, niet gevallen, gewoon moe, als een oude man die nog staat maar niet meer weet waarom. De vezels waarmee het gevlochten was, hadden de kleur van oud bloed, dat bruinrode dat overblijft wanneer alle frisheid verdwenen is, wanneer de laatste herinnering aan warmte ook is vervaagd. De patronen in het vlechtwerk leken op de aderen aan de binnenkant van een pols, het fijne netwerk van iets dat ooit geleefd had en nog niet vergeten was hoe te kloppen.
Het hoofd daarbinnen was niet langer jong. Het haar dat ooit zwart moest zijn geweest, was grijs en dun, en het stond in kleine vlokken van de hoofdhuid af als de laatste bladeren van een boom in de winter. De huid lag als perkament over de botten gespannen, zodat Hayes de schaduw van de schedel erdoorheen kon zien, het glibberige oppervlak van het been dat nooit door de zon was geraakt. Maar de tanden die zichtbaar waren tussen de teruggetrokken lippen waren te lang, te wit, te veel voor enige menselijke mond. Ze stonden in rijen die niet klopten, drie rijen waar er twee moesten zijn, en de punten waren scherp als naalden die alleen maar wachtten om te steken."